Organisch kwartetten

Bij het inruimen van mijn portemonnee schuif ik met beleid een haast verpulverde donorcodicil terug in het achterste vakje. Het was een tijdje een hot item: de orgaandonaties. Hoe zit het nu? Hebben we nog een keuze? Zijn we nog de baas over ons eigen lichaam?

Voor de duidelijkheid: ik loop vanaf dag 1 met een codicil in mijn tas welke bevestigt dat -indien de situatie zich voordoet- álles van mij hergebruikt mag worden. Ik heb het mijn kinderen verteld en ze waren niet verbaasd. Het past bij me. Ik houd van recycling (sterkte voor degene die een stukje van mij krijgt, ik weet niet of je er beter van wordt).  Mijn kinderen hebben inmiddels ook een registratie op zak. De één stelt alles ter beschikking, een ander heeft er restricties aan verbonden. Ze hebben er in ieder geval goed over nagedacht en hebben een bewuste keuze gemaakt. 

Zoals je bloed kunt afstaan en haarstukken kunt doneren, kun je ook delen van je lijf aan een ander gunnen. Sterker nog, je kunt je hele lijf ter beschikking stellen van de wetenschap. De vriendin van mijn oudste zoon snijdt daar af en toe studiematig in. “In het begin is dat heel raar”, vertelt ze: “maar na een tijdje wen je eraan. Je kunt het zo wel heel goed leren”. Oefening baart kunst. Niemand wil een chirurg aan de snijtafel die nog nooit op een ander lijf geoefend heeft, tenslotte.

En toen kwam het moment dat, vanwege het tekort aan donororganen, de rollen werden omgedraaid. Onder het motto: als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. Meld je je niet af, om welke reden dan ook, dan word je automatisch orgaandonor. Er kwamen heftige discussies op gang en de gemoederen liepen hoog op. Ook de onze: het was goed voor een paar avondjes vurig discussiëren.

Wanneer ik verplicht word bepaalde onderdelen af te staan, voel ik er in feite meteen niets meer voor. De dwang maakt dat ik de hakken in het zand zet. Mag ik misschien zelf beslissen over mijn lijf? Mag ik ook zelf beslissen wanneer welke onderdelen eruit gehaald mogen worden?

Wanneer komt de volgende stap? Gaan we straks afwegen welke onderdelen je al gedurende je leven best kunt missen en gaan we die er dan alvast uit halen? Je kunt best met één nier. Met een halve lever. Met één oor. Maar wie bepaalt dat? Waar ligt de grens? En voor welke doeleinden mag het orgaan worden gebruikt? Uitsluitend voor levensbedreigende situaties, of ook voor aanvulling en verfraaiing?

Vooruitlopend daarop kunnen we dan wel een ruilhandeltje beginnen. Mag ik van jou één nier? Dan krijg jij de helft van mijn borsten (zijn toch groot genoeg). Mag ik van jou je wasbordje? Dan krijg jij mijn dikke billen. Mag ik jouw rechter hersenhelft (ruimtelijk inzicht, hoera!), dan krijg jij mijn warme hart. Ik voel een organisch kwartetspel ontstaan! Schud de kaarten!

Een mooie bijkomstigheid: meer werkgelegenheid voor onze goed opgeleide medisch specialisten, die nu massaal naar het buitenland moeten vertrekken om hun kennis in de praktijk te kunnen brengen.

We kunnen een Orgaanisatie oprichten, waar ontmoetingen kunnen plaatsvinden tussen gevers en ontvangers. Waar niet alleen medisch noodzakelijke, maar ook anderszins gewenste uitwisselingen van menselijke onderdelen kunnen worden besproken en ingepland. Met gesloten beurzen, uiteraard.

Natuurlijk pleit ik voor zoveel mogelijk donorcodicils. Als we iemand kunnen helpen, dan moeten we dat zéker doen. De gezondheidszorg staat nergens meer voor, zelfs je huid kan probleemloos op een ander worden geplakt. Je kunt er levens mee redden. Ik zeg: doen! Maar doe het zelf, omdat het vanuit je hart komt. Omdat je iets wilt betekenen voor iemand die er nog jaren mee vooruit kan. Omdat je compassie hebt met je medemens. Omdat je zelf tóch niets meer aan die organen hebt als je dood bent. Daarom. En niet omdat je verplicht wordt je omhulsel uit te delen aan anderen. Laat iemand daarin zijn eigen keuze maken. Zorg voor documentatiemateriaal en licht eerlijk voor. Geef iemand de input om weloverwogen te beslissen. Dan zul je zien hoe groot de bereidheid wordt. En dat is nodig, want voor té veel mensen hangt hun leven af van het ter beschikking komen van het juiste orgaan.

De moeder van een vriendin van de éénnajongste werd op het nippertje gered met een donorlever. Ze is zielsgelukkig dat ze geen afscheid van het leven hoefde te nemen. Ze is de anonieme donor dankbaar en schat haar leven op waarde. Het blijft een prachtig voorbeeld van hoe het kan gaan. Als je haar blijdschap en opluchting gezien hebt, twijfel je nooit meer aan het invullen van je codicil. Ik heb haar wel eens gevraagd of ze geen lezingen zou kunnen geven. Ze zou mensen vast imponeren met haar indrukwekkende verhaal, waarvan de afloop nog onbekend is, omdat ze niet weet hoe de lever zich na verloop van tijd in haar lijf zal houden. Maar iedere maand is er één en ze geniet er met volle teugen van.

Kunnen we iedereen in zijn of haar waarde laten? Al die opgelegde regels maken dat ook ik –die hard donor– me niet comfortabel voel met de situatie. En dat ik straks niet orgaan, maar orging.

 

 

 

 

 

 

 

 

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *