Mantelzorg 2.0

Hij zit tegenover me aan een tafeltje in een restaurant. Hij is van mijn leeftijd. We kletsen periodiek op ontspannen wijze uitgebreid bij. Zo ook vanavond. Onder het genot van een bord vis voor mij en spareribs voor hem brengen we elkaar op de hoogte van ons leven. 

Nadat we ons liefdesleven -of beter gezegd, het ontbreken daarvan- hebben besproken, ons werk de revue hebben laten passeren en onze gezamenlijke kennissen aan de orde zijn geweest, vraag ik hem naar zijn moeder. Hij heeft alleen nog een moeder en zij is dementerend. Hij zucht. Toen we elkaar een paar weken terug ook al zouden ontmoeten, werd hij weggeroepen door het verzorgingshuis waar zijn moeder woont, omdat ze onwel geworden was.

Tja……….”, zegt hij: “het gaat wel weer”. Hij gaat ervoor zitten. “We zijn laatst een midweekje met haar weg geweest”.  Op mijn vraag hoe het was, antwoordt hij: “nou ja, het was wel een dingetje. Ze zat al heel lang te zeuren dat ze eens weg wilde, op vakantie. Mijn zus en ik boekten een midweekje in een huisje en we namen haar mee. Maar ze raakte daar helemaal de kluts kwijt. Ze begreep niet wat we in dat huisje deden. Ze kende de route naar het toilet niet en snapte niet dat we daar alle drie ook gingen slapen”.  Zijn ogen glinsteren als hij zegt: “mijn zus wilde vroeg naar bed, zij had ma al omgekleed om naar bed te gaan. Pyjama aan, duster erover, terug de woonkamer in, waar ik zat”. Dat klinkt simpel, maar dat was het niet voor zijn moeder, omdat ze normaal meteen na het aantrekken van die pyjama naar bed gaat. “Jullie doen ook maar wat!”, had ze tegen haar zoon en dochter gezegd en zichzelf voor de -tigste keer afgevraagd waarom ze in dat huisje was, waar ze nu moest slapen en in welke pyjama. Toen ze eenmaal aan het concept van een vakantiehuisje gewend was, was het tijd om huiswaarts te keren en begon haar verwarring in het verzorgingshuis van voren af aan.

Hij is lief voor zijn moeder. Ze woont niet ver bij hem vandaan en zijn hulp wordt regelmatig ingeroepen door de verpleging voor dingen die je als kind geacht wordt voor je moeder te doen, omdat ze niet thuishoren in de taken van de verzorging. De pedicure, bijvoorbeeld. Het aanschaffen van likdoornpleisters, waarvoor je dan tijdens je werk gebeld wordt, die je als de brandweer bij haar binnen gooit en waarvan je vervolgens het onaangetaste, dichte doosje een week later op de kast in haar kamer gewoon weer terugvindt. De zorg is niet goed gecoördineerd. Informatie is onvolledig of niet goed geregistreerd. Nergens was terug te vinden dat zij -toen zij laatst onwel geworden was- hartpatiënt is en een pacemaker heeft. Zelfs in het ziekenhuis waar zij geopereerd was, wisten ze van haar medische voorgeschiedenis niets. Zorgwekkend.

Ga je daar nog iets mee doen?”, vraag ik hem belangstellend. Ik kan me voorstellen hoe frustrerend het is dat dingen onvindbaar blijken te zijn. Dat aan de hand van een litteken aangetoond moet worden dat er inderdaad eerder in het lijf gesneden is. Hij knikt ontkennend. “Het voelt als water naar de zee dragen”, zegt hij. “We hebben één broeder in haar verzorgingstehuis, die zoeken we altijd op als er iets is. Dat is de enige die het een beetje op een rijtje heeft en die doortastend is”. Ik hoop mét hem dat die broeder geen vakantieplannen heeft en nooit zal uitvallen daar .

Mijn gedachten dwalen af naar het recente verhaal van één van mijn andere vrienden, die een dementerende vader heeft. Zijn vader kon de vernietigende blikken van een eveneens dementerende nieuwe huiskamergenoot niet velen. Het escaleerde, hij gaf haar een duwtje, waardoor zij ten val kwam en haar heup brak. Je zult het meemaken!

Als ik thuiskom vertel ik het trieste maar zo smakelijk vertelde verhaal van vanavond in beknopte versie aan de kinderen.

Ehm……mam?”, zegt één van hen. “Vergeet het maar, dat ga ik niet doen, hè?”. Ik zie de twinkeling in zijn ogen. “Tegen de tijd dat jij teveel gaat zeuren, mij steeds gaat opbellen of andere rare dingen gaat doen, dan help ik jou een handje”. Ik blijf belangstellend staan. Hij vervolgt: “ik moet er niet aan denken, dat jij van dat soort dingen gaat doen. Dat ik dan kom en dat jij dan niet weet wie ik ben en dat je ook niet weet dat ik er vorige week ook was. Zonde van jouw en mijn tijd”.  Mijn bloedje zou het goed doen op het toneel. “Als jij oud bent en seniel, dan geef ik jouw rolstoel wel een extra duwtje”. Hij beweegt zijn lijf alsof hij mij met stoel en al behendig van een afgrond af duwt. “Hupsakee. Hier heeft toch ook niemand iets aan”.  Hij wrijft zijn handen theatraal schoon en gaat terug zitten.

Dan weet je het alvast”, zegt hij, met een grijns op zijn gezicht. Ik zie zijn blije snuit. “Ik begin er binnenkort al mee hoor mam”, zegt hij nog. “Als ik straks op mezelf woon, stel ik voor jou een ander deuntje in op de telefoon”. Ik voel waar het naartoe gaat. “Als ik geen zin heb in jouw gezeur, dan neem ik niet op. En als het nóg erger wordt zeg ik tegen mijn kinderen: “niet opnemen hoor, het is oma weer! Die heeft deze week al drie keer gebeld”. Hij lacht met open mond.

Ik meld je alvast aan bij een gesticht ver uit mijn buurt, zodat ik niet steeds gevraagd word te komen. En als je écht te lastig wordt, dan haal ik je wel even op”.

Ik hoop het niet mee te maken, dát voorop gesteld. De digitalisering van de patiëntendossiers toont maar weer eens aan dat deze alleen veilig en betrouwbaar zijn wanneer zij voortdurend en volledig worden ingevuld. Dat we zullen moeten blijven observeren, communiceren, vragen, voelen en vooral zelf na moeten blijven denken. Dat voor goede zorg mensen met een missie en een groot hart nodig zijn.

Mijn zoon heeft er een eigen draai aan gegeven. Een soort vrijwillige euthanasie, maar dan gestuurd door de volgende generatie. Ik hoop er maar het beste van, van deze mantelzorg 2.0.

 

 

 

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *