Gastblog van Iris: Vader Zaliger

Zomaar een avond in oktober. Ik maak een wandeling na een lange werkdag. “Maak je maar geen zorgen over Zoon, hoor”, zegt mijn vader, die onverwacht dicht naast me loopt. Verbaasd kijk ik op. Zoon is sinds kort aan een nieuwe opleiding begonnen. Voor binnenvaartschipper. En hij is voor het eerst twee weken aan boord. Hij zal toch niet tijdens zijn eerste vaart al over boord gekieperd zijn, vraag ik me in stilte af. Dat zou nou jammer zijn, hoor ik mijzelf denken, met de galgenhumor die mijn familie zo eigen is. Ik voel mijn vader naast me glimlachen.

Tot dusver ogenschijnlijk niets bijzonders, ware het niet dat mijn vader al ruim drie jaar niet meer leeft. Ik denk vaak aan hem. Op de één of andere manier was onze innerlijke verbondenheid zó sterk dat ik me niet eens zoveel zorgen maakte over zijn dood; wij zouden elkaar tóch wel weten te vinden. Dat bleek anders. Ruim drie jaar verder heb ik één keer over hem gedroomd, zonder hem te zien. Ik hoorde hem zingen en merkte dat hij dartelde door het lentefrisse gras. Vrij, onbevangen, niet langer bang. Dat stelde me gerust; een té groot deel van zijn leven was ingekleurd door angst en achterdocht.

Eenmaal terug uit Indonesië, waar hij veel te jong min of meer naartoe gevlucht was om te ontsnappen aan de gezinssituatie waarin hij opgroeide, werd zijn leven nooit meer hetzelfde.

Nederland liet de jongens -die veelal naïef en onbevangen, misschien behept met heroïsche gedachten richting de Oost waren gegaan en die later gedesillusioneerd en beschadigd terug kwamen- aan hun lot over. Het verbaasde en verbitterde hem. Hetgeen ik terug zag toen recentelijk de laatst levende KNIL-militairen alsnog een medaille kregen. Een waardige oud militair, beschaafd en kalm, zei zonder veel emotie in zijn stem dat hij het “schandalig” vond, dat de laatste tien levenden alsnog geëerd werden. Voor velen was het te laat. Ingehaald door (een andere kijk op) de  geschiedenis.

Dat gold ook voor mijn vader. Twee dierbaren verloor hij vervolgens in de jeugdjaren van Zus en mij en daarmee zijn bravoure en veerkracht. De ongecompliceerde, dartele jongen die samen met twee van zijn broers in de Tweede Wereldoorlog kwajongensstreken uithaalde met de Duitsers en meer dan eens door het oog van de naald was gekropen, de avontuurlijke, zeventienjarige soldaat die, trouw geflankeerd door een hondje, zijn weg zocht en overleefde in Indonesië, de trotse echtgenoot en vader van twee meisjes, knakte en werd nooit meer de oude.

Na terugkomst uit Indonesië bouwde hij moeizaam een bestaan op. Zijn liefde voor de natuur, zijn beweeglijkheid en speelsheid en zijn niet al te lange concentratieboog, zoals hij altijd vertelde, maakten dat hij ieder vlindertje en vogeltje gezien had op de basisschool en aanzienlijk minder van de inhoud van zijn boeken. Hij glimlachte dan maar eens en knipoogde naar Zoon, die veel op hem lijkt. Nu maakte hij een inhaalslag. Bouwde een bestaan op, zorgde voor zijn moeder. Kocht een motor en reisde met zijn neef en zielsverwant door Europa om in Zweden uit te komen, waar ze zich direct thuis voelden. Ze solliciteerden, maar Zweden hield haar grenzen dicht. “Anders was je nu een Zweeds meisje geweest”, zei hij vaak, een beetje dromerig. (Nu zijn we van Zeeuws-Gelderse makelij. Ook best exotisch).

Hij werd automonteur, autorij-instructeur, bibliotheekbuschauffeur. Hij las literatuur en andere zware kost. Schillebeeckx, Kuitert. Hij las filosofen en verdiepte zich in techniek. Hij kende de atlas van binnen en van buiten. Van veel landen kende hij wetenswaardigheden, hij kende daar voorkomende flora en fauna. Hij verdiepte zich in het conflict van Israël en de Palestijnen. Hij verdiepte zich in de geschiedenis en hield – soms eindeloos lange ( en oh, wat wilden we dan graag buitenspelen!) – monologen. Hij formuleerde zijn gedachten en zijn vragen. De meest bijzondere en bizarre dingen vroeg hij zich af. Merkte hij op. Stelde hij zich voor. Loste hij in zijn gedachten op. Tekende hij voor ons uit met zijn mespunt op het tafelkleed. Als het hem gegeven zou zijn, was hij vast uitvinder geworden.

Ooit liepen wij eens door Middelburg, in de regen, waar een vrouw liep, waarvan wij vrijwel gelijk opmerkten dat ze sprékend op een paraplu leek. Meenden wij in veel mensen hun oorsprong te zien: van een eekhoorn tot een haai. Of een vogel. Vonden wij beiden dat tuinbonen naar telefoonkabel smaakten. En verzonnen we een bijna eindeloos verhaal bij een zacht roze kiezelsteen die ik in het bos vond.

Met enige regelmaat vroeg hij Zus en mij, wanneer we door het bos liepen, of we ook “een dooie Jap” roken, tot grote ergernis van mijn moeder. Hij vertelde dan over de krekels, die zo luid tjirpten in Indonesië als de zon opkwam terwijl hij hoog in de palmboom de wacht hield. Zijn omgeving omheind met lege blikjes aan een touwtje, zodat hij letterlijk wakker gerammeld zou worden als hij per ongeluk toch in slaap gevallen zou zijn.  Ik rook vooral zijn angst. Hand en hand liepen we door het bos; we hielden meer van de zee; daar kon geen vijand zich ergens achter verschuilen.

Het Stinimerie van Wonderijs en Schetenwappen, een schaalolver, een boetakje, Koodrapje, ze ontsproten allemaal aan zijn brein. Nieuwe woorden, oude woorden, hij bracht ze in ons dagelijks jargon. Een canis familiaris die ergens domicilie koos: wij keken nergens meer van op. Vermengd met wat Indonesische vocabulaire: slamat makan, mandiën, een roepia, oran blanda, bloeide onze taal rijkelijk.

Mijn moeder was er om ons met beide benen op de grond te houden. Hoewel ook zij soms verrast werd, onder meer door zijn voorspellingen. “Hebben we wat lekkers in huis? Vanmiddag tegen vieren staan tante en oom op de stoep”. Tante en oom, woonachtig aan de andere kant van het land, in een tijd waarin reizen mondjesmaat en zeker niet onverwacht gebeurde en nog niet iedereen telefoon had… Mijn moeder fronste haar wenkbrauwen maar zorgde toch maar voor iets bij de koffie. En jawel hoor! Oom en tante mochten een auto lenen en deden per verrassing mijn ouders aan. Het was niet de eerste en laatste keer dat hij dit soort oprispingen had, die ook hem hooglijk verbaasden.

Ik vroeg hem er in de herfst van zijn leven naar. Hoe het bij hem werkte met die voorspellingen. Hij hoorde ze, net als ik. Hij had op die bewuste middag dat oom en tante kwamen “gehoord” dat oom tegen tante zei: “Stap in, dan rijden we, we verrassen haar”. Ik vroeg hem wat hij er met zijn gave deed. Niet veel. Ze voegden zelden iets toe, vond hij en mensen zouden het veroordelen. Opnieuw angst.

Eenmaal thuis van de wandeling appte Zoon. “Mam, niet schrikken. Het is goed met me. Er was brand aan boord. Ik was als eerste in de machinekamer om te blussen. Ik vergat in mijn haast een rookmasker op te zetten. Ik heb wat moeite met ademen en mijn ogen doen pijn, daar komt nog een dokter voor, maar het is goed afgelopen”.

Ik knik. Natuurlijk, hoe kán het ook anders. “Was dat een uur geleden?” vraag ik. “Ja, precies. Hoezo?”. Ik app hem terug. Over zijn opa.  “Opa is de hele week al hier. Ik heb al heel intensief over hem gedroomd”, antwoordt Zoon. Dankbaarheid stroomt door me heen. Het voelt weer even zó vertrouwd.

Vandaag zou hij 90 worden.
Onze eigenzinnige, praatgrage, zwijgzame, bijzondere, lieve, starre, fantasierijke, bange, slimme, hardwerkende vader. De echtgenoot van onze moeder. Opa van zeven kleinkinderen. Hij was zijn tijd ver vooruit, als kleurrijke Piet.

Vandaag denken we ieder op eigen wijze aan hem. “Dág lieve pa, heb het goed daar waar je nu bent”, spreek ik hem zachtjes toe terwijl ik verse bloemetjes op zijn graf leg en een waxinelichtje aansteek.

 

 

 

 

 

 

 

Share Button

6 gedachten over “Gastblog van Iris: Vader Zaliger”

  1. Eén vader, twee totaal verschillende dochters. Zoveel dingen die je schrijft herken ik, maar sommige dingen heb ik zo anders ervaren dan jij. Eén ding is zeker: hij kon veel meer dan hij uitdroeg. We hielden allemaal op onze eigen manier van hem, hebben ieder onze herinneringen en onze beurse plekken aan hem overgehouden. Soms zou je willen dat je de tijd nog even terug kon draaien om dingen uit te spreken of te herbeleven. Er een andere draai aan te geven en dan tot andere interactie te komen. De scherpe kantjes gaan eraf, het gemis blijft. Jouw verbondenheid met papa zal altijd op één of andere manier bij je blijven, Ies. Dat was iets van jullie, dat zal ook iets van jullie blijven. Dikke kus van je zus. XX

  2. Zo gaat het vaak hè. Dat je het ieder op je eigen manier (her) beleeft.
    Het is inderdaad wat het (geweest) is.
    Jammer dat we die helicopterview niet al eerder hebben 😊

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *