Coro-nabeschouwing

Het is woensdagmorgen vroeg, als de zon door de kieren van mijn slaapkamergordijnen schijnt, ik mij klaar maak voor de dag en de deur open zwiep. Een staalblauwe lucht, de vogels fluiten, de geur van koffie heeft zich door de gang verspreid. Ik voel me fit, sterk, daadkrachtig en onrustig.

Ik rits mijn jas dicht en zet de pas erin. Ik adem de buitenlucht diep in en kijk om me heen. Er is bijna niemand op straat. Een paar auto’s en een enkele hondenbezitter. Het is héérlijk buiten. En toch voelt het vreemd.

Een aantal weken geleden hoorde ik bij de groep mensen die de heisa over Corona nogal overdreven vond. Wat een angst werd ons ingeboezemd, ook toen het nog niet persé nodig was. Paniek zaaien, daar heeft tenslotte niemand iets aan. Ik nam gepaste afstand van alle nieuwsberichten en keek het gelaten aan. Tot vorige week.

Mijn zoon, die net twee weken in Bremen woonde om er een deel van zijn studie te doen, werd met acute sluiting van zijn school geconfronteerd en keerde onverrichter zake huiswaarts. Mijn andere zoon, stagiair bij een internationaal juristenkantoor, werd met een laptop naar huis gestuurd om daar te werken. De coschappen van zijn vriendin werden abrupt beëindigd wegens gebrek aan mankracht voor de supervisie. De school van mijn zus sloot de deuren.

Mijn dochter werkt zich uit de naad om de protocollen van haar verloskundigenpraktijk aan te scherpen, risico’s op afstand in te schatten en de nieuwe leefregels aan een ieder -ook aan wie niet wil luisteren- op te leggen. De weinige sociale activiteiten van mijn oude moedertje zijn gestopt en de zeven tentamens van mijn jongste zoon zijn verschoven. De uitvaart van een kennis vond in zeer besloten kring plaats en het huwelijksfeest van buren is geannuleerd. Een lang geplande operatie van een vriendin is tot nader bericht opgeschoven wegens geen prioriteit in het ziekenhuis.

In het medisch centrum waar ik werk, worden de maatregelen pijnlijk zichtbaar. De wachtkamers worden allengs leger, de spreekuren zijn veelal telefonisch en alleen de spoedeisende zorg wordt verleend, waarbij strikte voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Wij Brabanders -ik ben slechts import, maar tóch- worden als een wandelende besmetting geweerd bij landelijke activiteiten.

Zou ik zes weken thuis komen te zitten, dan zou ik me nog geen dag vervelen. Er is altijd iets te doen, te lezen, op te ruimen, te schilderen. We hebben televisie, telefoon, internet, e-readers, laptops, wat is het probleem? En toch knaagt het! Restaurants, musea, bioscopen en cafés zijn dicht, grote winkelketens sluiten, festivals en theaters annuleren de voorstellingen, het sociale leven stópt gewoon.

Veldhuis en Kemper schreven er een mooi liedje over: “weten dat het kan scheelt al de helft in het willen”. Ook al wil je, je kunt nu niets doen. En dat schuurt, want wij regisseren zo graag ons eigen dynamische leven.

Jarenlang hebben we de focus gelegd op de economische groei. Grotere huizen, luxere auto’s, hogere inkomens, efficiëntere en gestandaardiseerde werkprotocollen, luxere levensstijlen, de bomen groeiden tot in de hemel zonder dat we het in de gaten hadden. We vlogen alle grenzen over, vaak tegen spotprijzen, dreven internationale handel en vonden dit allemaal volstrekt normaal. Dat dit eveneens de doodsklap betekende voor het maatwerk in de zorg, de cultuursector, het onderwijs en de publieke sector, namen we op de koop toe.

En nu, nu het virus zich in rap tempo verspreidt en er nog geen antilichaam op de markt is, zijn het juist deze laatste sectoren die ertoe doen. Zonder hen waren we sowieso volstrekt kansloos.

In gedachten verzonken wandel ik de bouwmarkt in. Er zijn meer mensen die besloten hebben zich voor te bereiden op een lock-down. We houden gepast afstand als we blikken verf en afdekzeilen inladen. We kuieren in colonne door de lange gangen en staan gedwee in de rij bij de kassa.

Als ik aan de beurt ben en mijn artikelen op de band heb gelegd, zie ik dat de kassajuffrouw aan haar neus wrijft. Ze staat weliswaar een ruime meter bij me vandaan, maar ik besluit de afstand zekerheidshalve nog iets te vergroten. Nét op het moment dat ik weer een stap dichterbij wil komen om te gaan betalen, niest ze theatraal in haar handen. De meneer achter mij en ik schrikken allebei. Ze kijkt me aan, ik doe instinctief een grote stap naar achteren en zie hoe ze haar handen afveegt aan haar bedrijfskleding, vervolgens aan haar mondhoek krabt en mij in één vloeiende beweging met diezelfde handen mijn kassabon wil aangeven. “Er kan niets gebeuren hoor”, zegt ze kribbig, als ik verstijfd blijf staan: “ik heb handschoenen aan”. Ik ben perplex en pak de bon niet aan. “Die handschoenen helpen zo niets, hoor”, antwoord ik haar, terwijl ik haar geïrriteerde blik vang. De klant achter mij glimlacht en knipoogt. Ik verlaat de winkel zonder bon en besluit thuis eerst mijn handen grondig te wassen met de zeep die vanmorgen godzijdank weer voorradig was in de supermarkt.

Nu ondervinden we aan den lijve hoe het is, wanneer we in onze vrijheid beknot worden en niet meer kunnen doen wat te willen. Misschien kunnen we ons dan ook weer eens ouderwets verheugen op activiteiten die we al jaren maar gewoon voor lief namen. En als we noodgedwongen quality time met elkaar doorbrengen, dan leren we elkaar nu misschien ook eens écht kennen.

Dan zien we wellicht onder ogen dat we, gedreven door onze drang om altijd méér te willen hebben, de basis enigszins uit het oog verloren waren. We leren min of meer noodgedwongen de beroepsgroepen op waarde te schatten, die de samenleving op precaire momenten draaiend houden. We leren meer respect te hebben voor de natuur, die ons op brute wijze laat zien dat er absoluut factoren zijn waar we als mens géén adequate invloed op uit kunnen oefenen. We kunnen voelen dat liefde, compassie, empathie en verbinding de pijlers zijn waarop we steunen.

Ook al heeft de crisis voor veel mensen nare en verstrekkende gevolgen, we komen er vroeg of laat heus weer bovenop. Wanneer we later terugkijken op deze periode, herinneren we ons hopelijk ook de wijsheid van Veldhuis en Kemper en behoedt deze gedachte ons voor acute terugval in ons vluchtige, hebzuchtige en kortzichtige gedrag van vóór deze crisis.

Want weten dat het kan……………..scheelt al de helft in het willen.

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *