Filantropische rolmops

Ze zit tegenover me en zucht. “Jij hebt het al een stuk makkelijker Wen”, zegt ze, terwijl ze haar professioneel gemanicuurde nagels bestudeert. Ze zijn diepgroen, in voorbereiding op de kersttijd. Ik zie donkere kringen onder haar ogen. “Oh ja?”, vraag ik haar en ik luister. “Ja. Ik heb drie jonge kinderen. Een man die veel weg is voor zijn werk. In mijn vrije tijd race ik me rot tussen al die clubjes, feestjes en sport”. Ik knik. Die tijd heb ik ook gehad, dat ik op zaterdagmorgen om acht uur bij het voetbalveld stond te blauwbekken omdat we ergens in Timboektoe waren ingeroosterd. Nooit begrepen waarom we het niet gewoon lekker klein en dichtbij konden houden met die kabouters, maar ik was blijkbaar de enige die zich dat afvroeg.

Lees “Filantropische rolmops” verder
Share Button

Assepoester

Mam”, zegt hij: “ben jij maandagavond thuis?”. Ik kijk hem aan. Meestal vraagt hij dit soort dingen niet omdat hij kneuterig met me op de bank wil zitten. “Kun jij maandag nog wat laatste dingen voor me strijken?”. Zijn ogen glanzen. Ik kijk op de kalender. Er staat -buiten mijn werk om- niets bijzonders opgeschreven. “En kunnen we zondagavond mosselen eten? Daar heb ik echt zin in”. Ik laat het antwoord in het ongewisse.

Lees “Assepoester” verder
Share Button

Kwalitijd

Het is woensdagavond als we de aankomsthal van het vliegveld in rennen. We zijn maar net op tijd. Met een grote bos welkomstbloemen en opgewekte spanning zijn we onderweg gegaan om zijn dochter met haar man en kinderen te verwelkomen. Het gezin met twee jonge kinderen en een baby arriveert na een reis van 25 uur. Ze zien er nog best fris uit. Ik zie ze voor het eerst en aanschouw het weerzien. Het mag wel in de krant dat ik eraan denk om foto’s te maken. Er wordt geknuffeld, gelachen, gekust. We maken een sanitaire stop en drinken wat alvorens we de twee auto’s vakkundig volladen en de terugreis inzetten.


Ze logeert met haar gezin bij haar moeder. We laden aldaar uit en nemen plaats in de achtertuin, waar gemoedelijk wordt gelachen, gepraat, geborreld en waar ook ik me welkom voel. De reizigers gapen. Ze hebben last van een jetlag maar houden zich nog een tijdje groot. De baby moppert af en toe wat.

De weken erna zijn vol. De verkering heeft het megadruk op zijn werk en verdeelt zijn privé-aandacht zo goed mogelijk tussen een tijdelijk hier verblijvende dochter en een dochter die net haar eerste huis heeft gekocht. We eten gezamenlijk, vieren twee verjaardagen met z’n allen in een pretpark en pannenkoekenhuis, we feesten bij een concert van Guus, er wordt gezwommen en door kleinkinderen gelogeerd, terwijl gelijktijdig een dakraam in het net aangeschafte paleis wordt geplaatst, een trap wordt afgekrabd en een verhuizing wordt gefaciliteerd. We proberen daar te zijn waar we het meest gewenst of nodig zijn.

De Engels sprekende kleinkinderen stellen vragen. “Waarom is zij zo vaak hier?”, vraagt één van hen aan mijn lief, terwijl ze me schielijk en wantrouwend aanschouwt. “Ik vind het maar raar”, zegt haar broer tegen mij: “dat jij hier soms bent en soms ook niet. Waarom ga jij steeds weg als je met mijn opa bent?”. Ik antwoord kort, iets over een eigen huis en loslopend wild. “Jij had ook wel eens een andere vriendin hè opa”, zegt één van hen. Opa knikt. “Ben jij dan nu mijn stiefoma?” vraagt zijn kleinzoon mij even later. Ik schiet in de lach. We zouden als volwassen mensen nog wat kunnen leren van deze kinderlijk ontwapenende bespiegelingen.

Als het verblijf zo goed als voorbij is, organiseren we nogmaals een barbecue bij hem thuis op het grote dakterras. We zorgen voor voldoende zitplaatsen, we schaffen veel te veel eten aan, we mixen liters vocht en genieten van elkaars aanwezigheid. Mijn kinderen zijn ook gekomen, evenals de moeder van zijn kinderen met haar man én de moeder van de verkering zelf. Ze is op hoge leeftijd en is ernstig vergeetachtig. Terwijl ik bordjes eten voor haar opschep, zit ze zwijgend tussen haar nageslacht. Vier generaties op de bank, we leggen het vast op de gevoelige plaat. Ik zie dat mijn lief er trots tussen zit. Mooi.

De dag is nagenoeg voorbij en de energie is ver op. Langzaamaan verlaten de aanwezigen het slagveld. Er moet morgen weer gewerkt worden, gestudeerd of gezwommen. Hij begeleidt zijn moeder naar de auto en in een split second struikelt ze over een drempel in de woonkamer. Ze valt plat op de grond en maakt van schrik geluid alsof haar laatste uurtje geslagen heeft.

Hij kijkt aandachtig naar z’n moeder. Hij pakt haar door vocht opgezette benen voorzichtig vast en probeert te filteren wat nu waardoor komt. Hij bewaart de rust. We zetten zijn moeder na een tijdje terug op haar hoeven en begeleiden haar met zijn auto naar huis. Ze woont in een zorgappartementencomplex, maar nu de indicatiecommissie haar een tijdje geleden nog zelfstandig beoordeelde, heeft ze slechts minimale zorg. Zo gaat dat, je koopt op basis van een inschatting zorg op maat in. We overleggen met een toevallig passerende verzorgster, die ons toezegt bij haar te gaan kijken en ons te bellen als er iets niet in orde is. Ik laat het telefoonnummer van de verkering bij haar achter, maar de wijze waarop ze zijn naam en nummer op een afgescheurd stukje papier noteert boezemt geen vertrouwen in. Ergens in een verloren vriezer vinden we een coldpack, die we even mogen lenen om de zere voet van zijn moeder te koelen. Ze hyperventileert van de pijn en de schrik. Hij kalmeert haar. Ik geef haar paracetamol uit mijn tas. Even later leggen we haar samen in bed. Daarin voorziet de ingekochte zorg nu eenmaal niet. Ze laat zich zonder enige gêne door ons uitkleden en in bed leggen. Ze instrueert ons wat waar moet liggen -er zit geen logica in- en ik glimlach als ze me opdraagt haar kettinkje op het half opgevouwen papieren zakdoekje midden op haar nachtkastje te leggen. “Dan kan ik het vannacht zien liggen”, zegt ze.

We laten haar na een tijdje in haar appartement achter. Er zijn afspraken gemaakt met de zorg en er gaat morgenochtend een ingeseind familielid bij haar kijken. Ze heeft een alarmarmband aan, waarvan ik hoop dat ze weet hoe die te gebruiken als de nood aan de man is. Wat ben je onthand als je een dergelijke situatie ineens moet oplossen en niet helder meer kunt communiceren.

Na een veel te korte nacht gaat de volgende dag het leven weer gewoon door. Hij werkt, ik werk, er wordt in het nieuwe huis geslapen en de vakantiegangers nemen het ervan. Het digitale contact met mijn eigen familie fietst door alle activiteiten heen. Mijn gedachten zijn met regelmaat bij hem en zijn moeder. Hoe zou het met haar gaan? Zou ze vannacht niet uit bed zijn gegaan, is er vanmorgen iemand geweest om haar te helpen? Zou de blauwe plek zijn weggetrokken of zijn verergerd?

Na een tijdje stuur ik mijn lief toch maar een appje. “Hoe is het met je?”, vraag ik hem: “en hoe is het nu met je moeder?”. Ik krijg een beknopt antwoord. “Het gaat goed. Straks gaat m’n broer kijken. Ze zei vanmorgen dat ze geen pijn meer had”. Hij zet er vraagtekens achter. Misschien een voordeel van vergeetachtigheid: ook pijn en valpartijen vergeet je blijkbaar zodra de wijzers van de klok verschuiven.

Precies vier weken nadat we naar Schiphol gingen om zijn dochter met haar gezin op te halen, zijn we weer terug op Schiphol. Een maand lijkt lang, maar blijkt in de praktijk zó voorbij te zijn. Het afscheid is daar. Ik vind ze dapper met hun drie jonge kinderen. Ik zie dat hun vertrek ook de achterblijvers emotioneert. Er wordt geknuffeld, gezwaaid en geroepen voordat ze voor lange tijd achter de coulissen verdwijnen.

We rijden terug naar huis, mijn lief en ik. De stilte valt in. Het waren veel indrukken, nieuwe ontmoetingen, er waren verwachtingen, er waren gezamenlijke activiteiten, gedeelde herinneringen, alles liep door elkaar heen. In de drukte raakte ik soms het contact met mijn lief een beetje kwijt. Ik voel me dankbaar onderdeel van het circus te zijn geweest en murw tegelijk. Het voelt ambivalent. Een goede nachtrust zou wel eens wonderen kunnen doen.

Ik weet wat me te doen staat: sparen voor een tegenbezoek. Ik ben uitgenodigd door de kleinzoon van mijn wederhelft, die zijn bed zelfs aan me wil afstaan. Hij zei het zo lief, het was an offer I can’t refuse.

Nu eerst maar eens landen met z’n allen. En misschien kan ik vanaf dit moment dan ook af en toe weer eens iets schrijven.



Lees “Kwalitijd” verder
Share Button

Hoofdsponsor

Een jaar of zes geleden schreef ik in een persoonlijk naslagwerkje, dat ik de vlag buiten gehangen had omdat mijn puberzoon ineens zelf zijn bed bleek te kunnen verschonen, zijn kamer bleek te kunnen opruimen en zijn persoonlijke hygiëne serieus bleek te kunnen nemen, nu er vrouwelijk schoon in aantocht was. Eureka! De liefde doet verrassende dingen met een mens!

Lees “Hoofdsponsor” verder
Share Button

Spoorloos

Het is maandagavond. De kop is van de week. Het eten is genuttigd, de keuken is redelijk toonbaar en ik zit in een stoel met een kop thee. Zoon 2 zit ook in de woonkamer. We kijken samen naar First Dates. De ontmoetingen zijn erg ongemakkelijk vanavond en dat vinden wij zeer vermakelijk.  Lees “Spoorloos” verder

Share Button

Movember

Hij komt terug uit de stad, VIP nummer drie. Mijn oog valt direct op zijn kapsel. “Ben je naar de kapper geweest?” vraag ik hem en hij knikt. “Wanneer maken ze het af?”. Hij zucht. “Leuk mam”, antwoordt hij: “het is echt fucking lelijk geknipt, dat weet ik zelf ook wel”. Hij bekijkt zichzelf omstandig in de spiegel die in de keuken hangt. Lees “Movember” verder

Share Button

Bicycle-recycling

Het is een lange werkweek geweest, als ik mijn straat in rijd om aan het weekeind te beginnen. Mijn fiets en ik hebben er deze week weer heel wat kilometertjes op zitten.

Bij mijn huis aangekomen wacht mij een troosteloze aanblik. In mijn voortuin, die sinds een jaar of wat ongewenst in gebruik is genomen als fietsenstalling, staat de fiets van zoon 2 op z’n kop in het tuinpad. Ik zie een lekke voorband. Ik stap van mijn fiets af en zet het vehikel een paar meter opzij om bij de voordeur te kunnen komen. Lees “Bicycle-recycling” verder

Share Button

Rood met witte stippen

We hebben de pas er flink in, mijn wandelmaat en ik, als mijn telefoon gaat. “Ben jij zo thuis?”, vraagt hij: “over een half uurtje?”. Ik moet even schakelen.  Ik zou een midweek alleen thuis zijn na mijn werk, maar in de praktijk komt er niets van terecht. “Hoezo, wat is er?” vraag ik hem, nu hij geacht wordt zich in de ontgroening van de studentenvereniging te begeven: “gaat het niet goed met je? Waarom ben je onderweg naar huis? Heb je geen sleutel bij je?”. Hij houdt het kort. Zijn telefoon is niet opgeladen. “Heb geen sleutel, ik vertel je straks wel”, antwoordt hij en de verbinding wordt verbroken. Lees “Rood met witte stippen” verder

Share Button

Volwassen!

Het is donderdagavond als ik thuis kom uit mijn werk. Het is een volle werkweek met een vakantierooster en meer werk dan mankracht. Mijn fiets en ik draaien overuren. Vanmiddag tijdens mijn werk kwamen er diverse appjes van de puber. “Hebben wij nog een fles wijn?”, vroeg hij. “Kijk dan even in de keuken”, antwoordde ik, ervan uitgaand dat hij zich in huis zou bevinden. “Ik loop nu net in het centrum”, appte hij me terug. De introweek van de uni staat voor de deur.  Lees “Volwassen!” verder

Share Button

Omdenken

Ik heb echt wel voorpret van de vakantie, maar inpakken vind ik zo’n  teringwerk”, verzucht hij. Zijn vriendinnetje zit er spic en span en opvallend ontspannen naast. Ze kwam zomaar even langs om hem gedag te zeggen en zit naast hem op de bank, waar hij tamelijk onverstoorbaar doorgaat met appen. Ik vind het wat ongemakkelijk, maar besluit me er niet mee te bemoeien. Ze zijn tenslotte volwassen. Lees “Omdenken” verder

Share Button