“Jeetje, mam”, zeg ik als ik bij haar kom: “je hebt echt een enorm blauw oog”. Ze haalt haar schouders op. Het is een wonder dat ze voor de vierde keer in korte tijd van haar fiets is gevallen zonder ook maar één botje van haar broze lijf te breken. En wat een geluk dat er steeds omstanders waren die haar terug op haar hoeven wilden zetten. “Ik weet zelf niet waarom ik gevallen ben”, zegt ze: “maar nu durf ik niet meer te fietsen”. Ik ga bij haar zitten en schenk voor ieder een kopje thee in.
“De huisarts is geweest”, zegt ze: “ik ben zo geschrokken. Hoe kan het nou, dat ik twee keer zo kort achter elkaar val zonder dat er aanleiding toe is?”. Ik luister. “De dokter kwam dezelfde middag nog. Ze kon niets bijzonders constateren. Ik moet bloed laten prikken en ze heeft mijn bloeddruk gecheckt”. Op mijn vraag wat er onderzocht wordt in haar bloed, weet ze geen antwoord. “Ik doe gewoon wat de dokter zegt”, zegt ze en ze ontwijkt mijn blik.
Een week of twee later zitten we aan haar eettafel met een coördinator van de zorg in het complex waar ze woont. Mijn moeder maakte tot op heden geen gebruik van de zorg. Ze zit met haar armen over elkaar en voert zonder woorden een protestactie. “De afvoer van de douche doet het niet goed”, zeg ik tegen verpleegkundige D.. Ze noteert. “Mijn moeder schuift emmertjes water over een natte badkamervloer”. Als blikken konden doden, was mijn laatste uurtje hier geteld. D. spert haar ogen. “U heeft er nooit melding van gemaakt, dat het daar niet goed doorloopt. Daar ga ik voor u achteraan”. M’n moeder doet een poging om er een glimlach uit te persen. “Mag ik uw medicatie eens zien?”, vraagt D. Dat mag. Er komt een broodzakje tevoorschijn. Mijn moeder bewaart alles in één, twee of drie broodzakjes, waarvan een enorme voorraad tussen de koelkast en het aanrecht geklemd zit. “Hee mam!”, zeg ik, als ik de doosjes aan D. geef: “ik wist helemaal niet dat jij een hoge bloeddruk hebt?”. Ze kijkt op. “Hoge bloeddruk? Heb ik niet”, antwoordt ze. D. noteert. “U slikt daar wel medicatie voor”, zegt D.. Mijn moeder trekt opnieuw haar schouders op. “En iets tegen neuropathie. En tegen trombose. En dan nog diclofenac en paracetamol. Zal ik voor u een baxterrol aanvragen, dan krijgt u van de apotheek alles netjes in zakjes met een afgemeten dagelijkse hoeveelheid. Dan hoeft u niets anders te doen dan iedere dag de medicatie uit 1 zakje in te nemen”. Mijn moeder kijkt glazig. “U mag kiezen, we komen iedere dag een zakje brengen of u houdt de rol zelf in beheer en opent elke dag 1 zakje”. Mijn moeder is met haar gedachten elders en is het gesprek al lang beu. “Dat is goed, doe maar. Ik kan nu toch niet meer naar de apotheek fietsen”.
Desgevraagd schrijf ik de volgende dag mijn proza voor de zorgindicatie aan verpleegkundige D.. De fysiotherapeut levert ook een stukje tekst aan, waarin zij melding maakt van de valgevaarlijkheid van mijn kromgetrokken en wankele moedertje. De aanvraag wordt door een vervangende huisarts ondertekend en opgestuurd naar het zorgkantoor. So far so good.
De tijd verstrijkt. Er komt noch een uitnodiging voor de neuroloog, noch een bericht vanuit het zorgkantoor, noch een bericht over de baxterrol. Mijn moeder heeft me inmiddels wél opdracht gegeven om “even” een feestje te organiseren voor haar 85-ste verjaardag. “Regel jij het maar, jij bent daar goed in”, zegt ze en ze onthoudt zich verder van iedere betrokkenheid. Op mijn vraag of ze zelf ook een uitnodiging wil ontvangen zegt ze: “wat moet ik daar nu weer mee?”. Ik schiet in de lach. “Niks, maar het is jouw feestje hè mam?”, antwoord ik. Het maakt haar niet uit.
Ik regel een rolstoeltoegankelijke lunchtent in het bos en kind 1 maakt een uitnodiging. Ik print en verzend alle kaarten conform het onnavolgbare lijstje genodigden. En zoals dat gaat: er komen berichtjes binnen van het restaurant, van mensen die niet kunnen komen, van mensen die een chaperone mee willen brengen, van mensen die vragen wat ze voor haar verjaardag wil hebben. Ik beantwoord ze allemaal en geef mijn moeder netjes door wie er komt of afmeldt.
Het is midden op mijn werkdag als het zorgkantoor belt. Ze hebben de aanvraag ontvangen en willen nu zelf een onderzoek starten of er daadwerkelijk zorg nodig is voor mijn 85-jarige moeder. Natúúrlijk, lekker efficiënt ook. Ik maak een afspraak voor de eerstvolgende woensdag en bel verpleegkundige D. om door te geven dat het zorgkantoor in de startblokken staat om onderzoek naar het onderzoek te gaan doen. “Ja, dat gaat zo. Dat spijt mij ook”, zegt ze liefdevol. “Trouwens, D.”, zeg ik: “heb je die baxterrol nog kunnen regelen voor m’n moeder?”. Er valt een stilte. “Uhm”, zegt ze zacht: “dat vind ik een beetje lastig om te zeggen, maar je moeder heeft dat bij één van mijn collega’s geannuleerd”. Ik sta met mijn telefoon in de gang van het centrum waar ik werk en slaak een diepe zucht. “Ja, ik snap het”, antwoordt D..
Ineens begrijp ik waarom de afspraak met de neuroloog ook niet komt en waarom ze me de oorlog verklaarde toen ik afgelopen zondag in haar digitale dossier van het ziekenhuis wilde kijken of ik een aanleiding kon vinden voor het lange wachten. Teleurgesteld ga ik terug aan mijn werk. Er is nu geen tijd en geen ruimte om er iets mee te kunnen doen.
Ik deel mijn frustratie met m’n zus en met kind 1, die ook naarstig haar best doet om haar oma te helpen en te ondersteunen. “Komende zondag ga ik naar ma”, zegt m’n zus manmoedig: “we moeten het hebben over haar levenstestament”. Mijn moeder heeft helemaal niets vastgelegd, hetgeen geheid tot problemen gaat leiden als wij iets uit haar naam moeten gaan doen. Het traject om haar zover te krijgen dat ze erover mee wil denken en met ons mee wil naar de notaris, duurt inmiddels ook al jaren. “Je kunt ons zo niet laten zitten, mam”, pleit ik voorafgaand aan de ultieme en laatste poging van mijn zus: “als jou iets overkomt kunnen wij niets regelen, dat kan écht niet. Zeg wat je wilt, hoe je het wilt, wie je machtigt en help ons alsjeblieft om dit te regelen”. Wat een gedoe. En wat een halsstarrigheid.
Tijdens mijn luisterdienst mis ik 7 telefoonoproepen van mijn moeder. Ik bel haar terug. Ze heeft weer een nieuwe uitnodiging in haar mailbox, van de val-poli. “Het is aanstaande dinsdagmorgen, hoe gaan we dat doen?”, commandeert ze. “Uhm, mam, ik moet gewoon werken dinsdag, dus ik kan niet mee”. Stilte aan de andere kant van de lijn. “Wie heeft je eigenlijk naar de val-poli doorgestuurd?” vraag ik haar. Mijn moeder weet het niet. “Zou de neuroloog dat gedaan hebben? Of misschien je fysio?”. Ze gromt. “Ik heb al tijden geen fysio meer hoor”, zegt ze: “dus dat kan niet”. Ik tel tot 10. “Mam, de fysio komt toch iedere week bij jou aan huis voor je rug en je rechterbeen?”, antwoord ik. Het blijft lang stil aan de andere kant van de lijn. Dan zegt ze: “oh, dat is waar. Is dat een fysiotherapeut? Nou, die weet niets van mijn valpartijen”. Dat ze mijn moeder geholpen heeft toen ze last kreeg van spierpijn na het vallen, weet ik wel, maar ik slik mijn woorden in.
“Als jij naar die afspraak bij de valpoli wilt en ik moet met je mee, dan moeten we het verzetten naar een andere dag”, zeg ik haar: “of je gaat zelf, met een taxi”. De damp komt inmiddels uit mijn telefoon. “Ja zeg, hoe is het nou?” snauwt m’n moeder: “ik ga zéker niet met de taxi”. En dan verlies ik mijn geduld. “Dan ga je toch lekker gewoon helemáál niet naar die afspraak”, sis ik door de telefoon. Ze gooit de hoorn op de haak.
Een uur later en tien graden afgekoeld bel ik haar terug.”We gaan dit fatsoenlijk oplossen, mam”, zeg ik haar. “Als we niet samenwerken, gaan we helemaal niets bereiken”. “Wat moeten we bereiken dan?”, vraagt ze, alsof er nooit een gesprek gevoerd is. Ik haal diep adem. “We hadden half februari dat keukentafelgesprek, jij en ik, met de coördinator. Bij jou thuis. Weet je dat nog? Daar is aan jou gevraagd waar je hulp bij nodig had en toen is jouw zorgvraag breed in kaart gebracht, waarmee een aanvraag is gedaan voor een zorgindicatie. Ik heb woensdagmorgen een vervolgafspraak met het CIZ, daar hoef jij zelf niet bij te zijn”, zeg ik haar. “We gaan die val-poli verzetten naar een dag dat één van ons meekan. Maar als het CIZ jou na woensdag ook nog belt, wil je dan alsjeblieft niet alles weer ontkrachten of zeggen dat je geen hulp wilt?”.
Er valt een stilte. Even denk ik, dat ze snapt wat ik vraag en waarom. Maar dan zegt ze: “Hulp? Waarbij? Ik doe alles nog zelf, hè. Ik zou niet weten waar ik hulp bij nodig heb”.
Ik weet het inmiddels zelf ook niet meer.
Guns N’Roses: all we need is just a little patience.
0 reacties