Gastcolumn van Iris: coronakilo’s

De zomervakantie werd er één van inventief zijn, snel schakelen en elkaars gezelschap zoeken, nu enkele geplande reizen in rook opgingen. Dat leverde gezelligheid, gezamenlijkheid en geregeld goede gesprekken op.

Eén van die gesprekken bracht ons naar gedeeld “familieleed”, namelijk onze lichaamsbouw. Een vaak terugkerend gespreksonderwerp, waarover evenzoveel familiegrapjes in omloop zijn. “Als je ons later opgraaft, in tijden van hitte en schaarste, kun je toch nog BBQ-en en van onze botten kun je gereedschap maken”, “als een pijler van de Oosterscheldekering het begeeft, heb je altijd mij nog”, “als ik die bloemetjesjurk aan heb, denken mensen dat je achter dat gordijn kunt douchen”, “ik was een olifantje in wording, maar ergens halverwege mijn wordingsproces werd de maker afgeleid”, “toen ik bij de kassa stond, was het lichaam van Doutzen niet meer te bestellen”, “als je om mij heen wilt, zul je een week vakantie moeten nemen”, het is maar een greep uit de zelfspot, waarmee we onszelf omhullen en beschermen.

Wij stammen uit een familie van “degelijke” bouw. Stevig, sterk, breed. Zusje en ik komen voort uit ouders, die zelf stevig zijn, sterk en gezond en van wie beider families grotendeels die bouw hebben. Een aantal verhalen dat ik me herinner gaat daarover. “Voor jou moest mama een jurkje naaien dat net zo lang als breed was”. Het was niet eens vervelend bedoeld; in die tijd werd stevigheid gelinkt aan welvaart en gezondheid. Dat Zusje in eerste instantie mager was en weinig belangstelling voor eten had, was een doorn in het oog, een zorg.

Bij de schoolarts klonk de vraag: “dokter, is dit kind niet veel te dik?”. Ik herinner me werkelijk waar – ik zal 6 zijn geweest – zijn blik naar mij nog, de knipoog, en een wedervraag in de orde van: “koopt of kookt zij zelf haar eten dan?”. Ik werd niet gepest, maar zodra er iets dwars zat bij klasgenootjes, was ik wel het “huiskamerolifantje”.

Op mijn vijftiende bracht dat een periode van stevig lijnen met zich mee, waarvan ik mager werd. Een triomftocht van korte duur, want mijn ribbenkast stak zo uit, dat iemand opmerkte: “het lijkt wel of jij twee paar tieten hebt!”. Dat ik toen ook af en toe bijna flauwviel, schudde me wakker. Dit kon niet de bedoeling zijn. Wat ik er aan overhield was en is dat ik van heel veel voedingsmiddelen weet wat ik moet doen en vooral laten om te compenseren. Wat ze “kosten”.

Onvermijdelijk dacht ik: dit ga ik later anders doen! En conform de vastberadenheid van het Rode Kippetje van Max Velthuys dééd ik dat ook. De kinderen kregen weinig tot geen snoep, mochten een afgepast aantal boterhammen eten, alleen in het weekend zoet beleg, geen zoete toetjes en, zo beklaagden zij zich nog niet zo lang geleden, zij waren vrijwel de enigen in hun tijd met een flesje water en een appel voor in de pauze op school. Eén van de eerste wake-up calls kreeg ik toen zoonlief, ongeveer 5 of 6 jaar, bij onze lieve, vrolijke buurvrouw mocht lunchen en zij onder de indruk verslag deed: “díe jongen kan eten, zeg!”.  Alarmbellen: “zeven boterhammen met hagelslag!”. Waar de ogen van Zusje en mij ook van open gingen, was de bijna onbeheersbaarheid van vrije situaties. Schaaltjes met paaseitjes, snoepjes, zoutjes, zoals we die in aanvang heel gastvrij neerzetten op feestjes en partijen, bleken voor onze families te grenzeloos. De drang naar zoet en zout werd niet uitgewist door er streng de hand in te houden; zodra er vrijheid was, veranderden wij in wolfjes. Sporten hield het allemaal redelijk in evenwicht; ook daar waren we alert op. Voetbal, zwemmen, tennis, basketbal, wandelen, fietsen, sportschool; ieder deed het zijne of hare en bleef daar meer of minder van in proporties.

Zelf let(te) ik altijd, met meer en minder succes, op. Wist en weet van alles wat ik at en eet, waar ik het ergens anders weer weg kon halen, dat het soms te teveel was en soms precies goed. Na de derde zwangerschap en bevalling was ik niet in de gelegenheid af te trainen; een hernia gooide roet in het eten. Een operatie volgde pas na een jaar met als gevolg dat mijn lichaam me een doorn in het oog werd. Een plotselinge burn-out hielp me in rap tempo van de kilo’s af.

Toen jaren later een tweede operatie volgde,  besloot ik het anders te doen; ik at zo min mogelijk en kwam vermagerd uit de operatie. Mooi. Dat heb ik enigszins zo weten te houden en dat vraagt voortdurend aandacht en alertheid. Tellen, nadenken, alarmbellen, onzekerheid, verontschuldigen. Dochters benoemen dat. “Mam, je hebt altijd van ons gehouden zoals we zijn, maar omdat je altijd kritiek op je eigen lichaam had, in combinatie met je alertheid op wat wij aten, begrepen we tussen de regels door heel goed dat wij ook boven de maat waren”.

Bijna een jaar geleden las ik een boek, “Op je lijf geschreven”, dat mijn oudste me aanreikte. Ben ik me gaan verdiepen in mijn gedrag, in wie ik dacht dat mij bekritiseerden. Tenslotte heeft zo’n beetje iedereen tegenwoordig een etiket: dik, dun, lui, gemakzuchtig, autistisch, narcistisch, gezond?…nóu…, druk…zo kan ik nog wel even doorgaan. Kennelijk heeft de mensheid hokjes nodig om te kunnen duiden. Wat ik ontdekte was confronterend: ik blijk mijn eigen ergste criticaster. Niet anderen maar ikzelf vind steeds iets van mijzelf.  

Ik heb, hoewel ik mijn schreden onzeker op dat pad zet, de weg gevonden. De innerlijke toon gevonden, die vriendelijker muziek maakt. Boven hoe ik er uit wil zien, is hoe ik me voel, de rode draad. Gezondheid is niet per definitie maakbaar, wel kan en wil ik graag gezond, prettig en bewust leven. Zusje en ik, en zo ook onze kinderen, hebben het geluk zelden ziek te zijn. Werkgevers hebben een goede aan ons. Onze families hebben een goede aan ons; als we een tandje bij kunnen zetten, dan doen we dat; wie hulp nodig heeft, krijgt dat. Moet er worden verhuisd of opgeruimd, dan zijn we er. We wandelen veel, fietsen naar ons werk, sporten nog steeds, leven over het algemeen gezond en houden van elkaar. En dus ben ik geen huiskamerolifantje (hoewel zo’n beestje me overigens buitengewoon humoristisch lijkt en porselein heb ik niet), maar “solide”. Op mij kun je, zolang het me gegeven is, bouwen en zo ook op mijn moeder, Zusje en haar gezin.  

Middelste verwoordde het treffend: “mam, in onze familie gaat het gesprek altijd over eten en wat we niet goed doen. We zijn kritisch, terwijl we allemaal ons best doen, ons met zorg kleden, hard werken, zelfstandig zijn, omkijken naar anderen. Wat als we eens stoppen met dat kritisch zijn en benoemen wat er goed gaat? Dat lijkt me een stuk bemoedigender!”.

Goed plan, ik doe mee!

Vandaag las ik een pakkende uitspraak op 365 dagen positief: “wilskracht kost energie, daadkracht levert energie op”. Ik voeg vanaf vandaag de daad bij het woord.

Huiskamerolifantje?

Ha!

Líef huiskamerolifantje!

I love you just the way you are: Billy Joel

https://www.youtube.com/watch?v=1H3o1wNjHCE

Share Button

2 gedachten over “Gastcolumn van Iris: coronakilo’s”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *