Spoorzoeken

Uhm, mam”, appt hij, overduidelijk geïrriteerd: “ik ben wel eens vaker op reis geweest hè”. Hij staat op het punt om voor een aantal weken naar Midden-Amerika te vliegen, maar zowel zijn vader als ik hebben niets gekregen waaruit zijn verblijfplaats blijkt. Zoals het ene kind met een plan en een route naar Mexico vertrekt en daar Polarsteps bijhoudt, zo vertrekt het andere kind min of meer op de bonnefooi via Panama naar Costa Rica en Nicaragua. Want ja, in dat laatste land heeft een vriend van vroeger een surfschool opgericht en daar gaan ze natuurlijk “even” langs, met hetzelfde gemak als waarmee ik straks de fiets pak om een wijntje te gaan drinken bij vriendin J.

De tijd verstrijkt en hij houdt zich aan zijn woord. Heel af en toe komt er een teken van leven en via zijn zus zie ik foto’s die hij op Insta plaatst. Schilderachtige taferelen, ondersteund door geluiden uit de jungle, waar hij in een boomhut verblijft naast de brulapen. Ik laat het los, zoals ik geleerd heb dat te doen met dingen die buiten mijn macht liggen. Hij stuurt me heel af en toe een kort berichtje met een foto; hij geniet volop.

De oversteek naar Nicaragua met de bus duurt vele malen langer dan gepland, omdat er een ongeluk gebeurd is in de bergen. Ze raften van een vulkaan, vinden koraal tijdens het diepzeeduiken en bezoeken een actieve vulkaan, waar ze maar een kwartier mogen zijn vanwege de giftige dampen in de lucht. De foto’s zijn magistraal. So far, so good.

Tijdens een nationaal feest, waar muziek wordt gemaakt en wordt gedanst, beweegt de bevolking zich in drommen vooruit. Zonder mondkapjes en op nog geen anderhalve centimeter. In Nicaragua bestaat kennelijk geen corona. Zoon 2 heeft al corona gehad en is volledig ingeënt, hij maakt zich niet zo druk en ik dus ook maar niet. Ik kijk met belangstelling naar de filmpjes van de lokale bevolking, waarbij mijn zoon en zijn reismaat nogal afsteken, omdat ze zéker drie koppen groter zijn dan de rest. “Het is superleuk hier”, appt hij op een gegeven moment: “maar het eten is werkelijk niet te vreten”, Ik schiet in de lach. “Ze eten hier droge rijst met bonen. ’s Morgens, ’s middags én ’s avonds. Met van die stukken gortdroge kip erbij”.

Met verbazing kijk ik naar de foto’s die hij stuurt van reclamezuilen, waarop met een groot kruis door een handgeschilderde afbeelding wordt gepubliceerd dat het verboden is om je vrouw te slaan of haar te ontvoeren. Ik verbaas me erover dat dit soort afbeeldingen gewoon langs de kant van de weg staat, omdat het kennelijk nodig is dit simplistisch en prominent onder de aandacht te brengen. Cultuurverschil. “Tja“, antwoordt zoon 2, kijkend naar de borden: “ik zou eerlijk gezegd ook niet weten waarom het niet mag”.

De tijd verstrijkt en wordt ten volle door hen benut. Ik hoor en zie gelukkig pas achteraf in wat voor klein, geroest en gammel minivliegtuigje ze heen en weer naar Corn Island zijn gevlogen. Lefgozers.

Drie dagen voor vertrek komt er een appje van andere strekking. “Mijn hele tas is gejat“, lees ik en ik krijg ook een appje van zijn vader, die al ingelicht was. Zowel zijn vader als ik weten niet waar hij precies verblijft. Ergens in de buurt van Managua, maar ja, dat is nogal een fors zoekgebied. Daar heb je het al! In zijn tas blijken al zijn belangrijke spullen te zitten: zijn paspoort, zijn rijbewijs, zijn creditcard en bankpas, de telefoonoplader en andere spullen. Er ontstaat een hulplijn tussen hem, zijn vader en mij. “Ik zit al zes uur op het politiebureau, het is hier duizend graden binnen”, lees ik en ik wacht af. Ik kan niets doen. Het werkt daar allemaal iets anders dan bij ons, niemand heeft er haast en computervaardig zijn ze evenmin. Pas tegen de avond verlaat hij met een bewijs van aangifte het bureau. “Niet een politiebureau zoals bij ons, mam”, verduidelijkt hij: “een soort krotje met golfplaten op het dak. Ze werken er nogal inefficiënt”.

Het is weekeind. Er is een tijdsverschil van zeven uur, de voertaal is er Spaans. Beetje lastig. In Nicaragua zit geen ambassade maar een consulaat. Om naar de ambassade in Costa Rica te kunnen heb je een paspoort nodig. Mis poes, dat is gejat. De stress loopt op, zowel in Nicaragua als in ons koude kikkerlandje. We proberen op afstand logisch mee te denken, kalm te blijven en te doen wat we kunnen. Wat een geluk dat hij niet alleen is en dat zijn reismaat nog wel een geldig betaalmiddel heeft. De documenten van zoon 2 worden geblokt en er wordt een laissez passer aangevraagd. De vakantievreugde is voor beide heren tot een minimum gedaald. Eén ding is zeker: met zoon 2 wordt het niet gauw saai.

Wonder boven wonder ontvangt zoon 2 anderhalve dag later een berichtje dat zijn tas gevonden is. Hij mag zijn spullen komen halen, weliswaar tegen een behoorlijke vergoeding. Ik slik mijn woorden, dat het natuurlijk allemaal doorgestoken kaart is, in. Zijn vader maakt zich zorgen over zijn veiligheid en drukt hem op het hart ons met regelmaat een locatieprikkertje te sturen. Ik zie er geen één binnenkomen.

Na een aantal uren bereikt me een vrolijke foto. De tas blijkt inderdaad van zoon 2 te zijn. Er is een aantal dingen gejat, zoals contant geld, een koptelefoon en zonnebrillen, maar het paspoort zit er nog in. Dat zou het einde van het avontuur zijn geweest, ware het niet dat de documenten inmiddels overal als gestolen zijn geregistreerd. We beginnen van voren af aan, maar nu met het ongedaan maken van de aanvragen en we doen schietgebedjes dat dingen tijdig zijn geregeld, zodat hij zonder gedoe de grenzen kan passeren en via Costa Rica en Panama huiswaarts kan keren.

Als hij vijf uur bij de grens tussen Nicaragua en Costa Rica blijft hangen, loopt de spanning op. Ik ijsbeer wat door de kamer. Soms is het verrekte lastig om alleen te zijn en niet even te kunnen sparren of bij iemand te kunnen schuilen. Dit zijn van die momenten. Vriend X leeft op afstand met me mee. “Komt wel goed schatje”, appt hij.

Als de lokale Nederlandse gemeente op maandagmorgen tijdens mijn werk laat weten dat zijn aanvraag op ons verzoek geweigerd is en zijn paspoort daarmee geldig blijft, valt er een last van zijn en onze schouders af.

Een paar dagen later landt hij, blakend van gezondheid, op Schiphol. Ik kuier die dag met zoon 1 door Amsterdam. Als ik thuis kom ligt er een lief briefje op de kast met een plak handgemaakte chocola. “Lieve moeders! Bedankt voor je hulp. Ik heb een hele leuke vakantie gehad, het was er mooi en warm (30 graden!). In Granada was ik in een cacaofabriek; ik heb de cacaobonen zelf gekneusd. Er is 0% suiker aan deze reep toegevoegd. Dat is goed voor je hart, na al die stress”. Ik glimlach en bewaar de plak tot hij komt om er samen van te eten.

Heerlijk was het, dat ik op vakantie gewoon soms een tijdje geen bereik had”, verzucht hij, als hij een paar dagen later op mijn bank zit. “Echt zó lekker, dat je even helemaal weg bent”. Ik bestudeer zijn gebruinde snuit. Hij maakt met stip het meeste lawaai van ons allemaal. “Maar dat kun je hier toch ook doen, als je dat fijn vindt?”, antwoord ik hem. Hij haalt zijn schouders op. “Dat lukt hier niet zo goed. Iedereen verwacht hier toch wat van je”. We praten nog wat na en hij vertrekt even later. “Ik ga weer, mam!”, lacht hij en ik zie één grote bonk energie richting de trein stappen, op weg naar zijn volgende avontuur.

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

0 reacties

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Doos