Sparvarken

Het is zaterdagmiddag, als ik één van mijn eerste post-covidwandelingen maak, nadat ik twee weken futloos, in mijn eentje en stevig vastgedraaid in mijn eigen gedachten, heb doorgebracht in mijn huis. De buitenlucht doet goed; ik adem bewust zoveel mogelijk frisse lucht in en voel de snijdende kou in mijn gezicht. Het is helemaal niet koud voor deze tijd van het jaar, maar ik heb een stapje terug moeten doen in wat ik gewend was te trotseren. Ik ben al blij dat ik er zonder al teveel kleerscheuren vanaf ben gekomen en hier nu weer wandel.

Vóór me kuiert een jong stel met een wandelwagen, waarin een jongetje zit van nog geen twee met scherp geschoren patronen in zijn haar. Ik kijk naar het labyrint op zijn kleine hoofd en vraag me af waarom iemand dat doet bij zo’n peutertje. Wat voor statement wil je dan maken? De moeder van het jongetje heeft een glimmende legging aan, zo te zien nog overgebleven van Kerst. Haar korte tijgerbontjas kruipt omhoog, waardoor je -of je het nu wilt of niet- het volle zicht krijgt op haar omvangrijke en blubberende bilpartij. Alles schudt en trilt in die glitterlegging. De man, die naast haar loopt, heeft een donkergroen bomberjack aan op een zwarte joggingbroek. Ze lopen allebei te roken en ik besluit ze te passeren, vooral omdat ik aan de rookpluimen wil ontsnappen.

Vlakbij de supermarkt, waar ik moet zijn, bevindt zich een afvalpunt. Een kledingcontainer en een glasbak. Iemand heeft zijn hele huisraad daar gedropt. Er staan een kapotte driezitsbank, een salontafel en twee schemerlampen en er ligt nog een enorme hoeveelheid andere rommel naast. Ik zie wasmanden, tuinstoelen, pannen en beddengoed liggen. Een gore matras hangt dubbelgevouwen tussen de twee containers in. Het is een troosteloos gezicht en het biedt een vervelend uitzicht aan de omwonenden. Wie doet zoiets en wie gaat dit weghalen?

Als ik de supermarkt in wandel, komt de commerciële slogan me meteen tegemoet. “Massa is kassa!” klinkt er door de speakers. Kennelijk moeten ze ook hier van hun voorraad af. Nadat ik de hele kerstperiode was volgepompt met reclameboodschappen van de supermarkten -van een romantische rendez-vous tussen twee hamsters tot een liefdesrelatie met een winkelwagen- was mij deze actie gelukkig ontgaan. Hoezo consuminderen? Koeken, chips, flessen frisdrank, blikken hachee, pakken wereldgerechten, dozen hamburgers, hoe meer je koopt hoe goedkoper het is. Bulkinkopen worden beloond! Ik reken het bij drie willekeurige producten uit en constateer dat je inderdaad héél goedkoop uit bent als je je tot de aanschaf van grote hoeveelheden laat verleiden.

Mensen zijn er gevoelig voor. Karren vol met ongezonde rommel passeren me langs alle kanten. Het is aantrekkelijk, als je geen groot budget hebt en wellicht wél een groot gezin. Misschien zou ik vijf jaar geleden, toen onze gezinsconsumptie op zijn hoogtepunt was, hetzelfde gedaan hebben. Toch leert de ervaring dat het hebben van een grote voorraad niet per definitie goedkoop is, omdat je makkelijker een pak koeken grijpt als er tóch tien pakken liggen. Zoals je bestedingspatroon zich aanpast aan je inkomen, eet je ook meer als je grotere voorraden in huis hebt. De supermarkten maken handig gebruik van onze ongedisciplineerdheid.

In “scheefgroei”, het programma van Jeroen Pauw, kwam dit onlangs aan bod. Obesitas is inmiddels volksziekte nummer 1 geworden. We maken te weinig gezonde keuzes, soms om de simpele reden dat gezonde keuzes duurder zijn, maar ook -en dat is nog véél ingewikkelder naar mijn idee- omdat we niet eens weten wát er nu gezond is. We worden misleid waar we bij staan en een groot deel van onze voeding is bewerkt, kunstmatig gekweekt of gemanipuleerd. Ook wanneer je er bewust mee aan de slag gaat, weet je niet precies wat je eet en weet je ook niet wat specifiek voor jouw lijf gezond is. Dat wat geldt voor virologen geldt ook voor voedingsdeskundigen: tien geleerden propageren tien waarheden.

Op de weg terug naar huis probeer ik te bedenken hoe het tij te keren is. Ik bel met vriend A. “Maar Wen”, zegt hij: “denk je nou echt dat je gelukkiger zult zijn als je slanker bent?”. Ik aarzel niet. “Ja, dat denk ik wel”, antwoord ik. “Het gaat niet persé om een confectiemaat, maar het gaat vooral om vitaliteit en zelfverzekerdheid. Je wordt in deze wereld gestimuleerd om heel veel te consumeren, maar vervolgens word je snoeihard afgerekend op het resultaat daarvan”. Hij lacht hard. Ik vervolg: “ik denk dat we onszelf alleen kunnen wapenen tegen dit soort virussen als we proberen onszelf zo gezond mogelijk te houden. En als je vitaal bent, ben je ook gelukkiger denk ik”. Er valt een korte stilte. Hij zucht. “Tja”, zegt hij: “ik ben op dit moment gewoon niet gemotiveerd. Ik lig op de bank en trek toevallig net een zak chips open”. We lachen en ik beëindig het gesprek. Ik voel mezelf een irritant sparvarken. Hoe doen andere mensen dat, die alleen zijn? Raken zij ook verstrikt in hun eigen denkpatronen? Hoe blijf je scherp als niemand de degens met je kruist?

Ik ben opgefrist als ik de sleutel in het voordeurslot steek. Deze covid-periode leerde mij aan het einde van 2021 nog een stevig lesje. Welke weg je ook gaat, niemand garandeert je ooit het resultaat. Je kunt alleen invloed uitoefenen op de wijze waarop je zelf in het leven staat en doen wat goed voelt in je hart. Pas wanneer je je eigen angsten in de ogen durft te kijken en verder durft te kijken dan je neus lang is, kun je afrekenen met ingesleten patronen en bewust andere keuzes maken.

Inmiddels weet ik dat alles vergankelijk is. Dat voortschrijdend inzicht soms lijkt op zwabberbeleid. Dat niemand je zekerheid kan bieden en dat omgevingsfactoren amper te beïnvloeden zijn. Ik weet dat ik me een uur blij voel als ik een zak chips eet, maar me daarna drie dagen rot voel dat ik me weer niet kon beheersen. Ik weet dat ik opknap van een stevige wandeling, als ik mezelf eenmaal van de bank heb geschopt. Ik weet dat ik véél banger ben om weer iemand te vertrouwen dan om alleen te zijn, terwijl ik diep vanbinnen intens verlang naar verbondenheid. Ik weet dat ik opzie tegen de komende reis, maar als mens zal groeien van een nieuwe bestemming en een andere cultuur, ook al zal ik er waarschijnlijk eerst hopeloos verdwalen.

Iemand zei me ooit, toen we het hadden over CO2-uitstoot, ecologische voetafdrukken en onze ingesleten drang naar het vergroten van ons territorium: “dat vliegtuig stijgt tóch op hoor, ook als ik niet instap”. Misschien is dát het, waardoor wij onze eigen rol zo bagatelliseren. Zo lang het voelt als een druppel op een gloeiende plaat, voelen we het nut en de noodzaak niet. Het is alsof je een grote schaal met felgekleurd zoet snoep midden op tafel zet en verwacht dat geen één kind er iets van zal pakken. Overheidsbemoeienis kan helpen, niet om ons te betuttelen, maar om andere kaders te scheppen. Je kunt pas een pion verzetten als het speelveld is uitgezet. We hebben elkaar daarbij nodig.

Een appje van vriend X. kleurt even later mijn middag vrolijk in. “Ik zit echt boordevol energie om een goede draai aan mijn leven te geven”, appt hij: “ons gesprek heeft me echt een boost gegeven. Ik heb er zin in”. Mijn hart maakt een sprongetje van blijdschap. Ik app hem een blij icoontje terug, met de hartelijke groeten van het sparvarken.

2022 kan beginnen.

Michael Kiwanuka: cold little heart

Did you ever want it?
Did you want it bad?
Oh my, it tears me apart
Did you ever fight it?
All of the pain, so much power
Running through my veins
Bleeding, I’m bleeding
My cold little heart
Oh I, I can’t stand myself

Maybe this time I can be strong
But since I know who I am
I’m probably wrong
Maybe this time I can go far
But thinking about where I’ve been
Ain’t helping me start

Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

2 reacties

Esther · 10 januari 2022 op 21:28

Zullen we elkaars coach zijn?

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Doos