Voorland

Het is een zonnige woensdagmorgen als ik besluit mijn moeder te bezoeken, bij wie ik door allerlei andere verplichtingen al te lang niet geweest ben. Voordat ik vertrek zet ik de tuindeuren in mijn woonkamer open. Het is zó lekker buiten, ik ruik de lente! Binnen een paar minuten vliegt er een roodborstje mijn woonkamer in. De vogel is in paniek en ik neig er zelf ook naar. Hoe krijg ik dat beest er nu weer uit? Hij fladdert door de kamer, gaat bij het voorraam zitten, poept op de vensterbank en kruipt in een hoekje achter het gordijn. Hij hyperventileert. Ik zet de tuindeuren wagenwijd open en trek de vouwgordijnen helemaal op. Ik praat tegen het vogeltje, maar hij is te bang en er zit geen beweging in, althans niet de goede kant op. Het kost me zéker een half uur voordat ik het prachtige beestje ongeschonden richting de uitgang kan krijgen en hij zijn vrijheid tegemoet vliegt. Ik kijk hem tevreden na, ruim de rommel op en vertrek alsnog.

Mijn moeder is blij dat ik kom. Ze praat honderduit en ik luister. “Zullen we ergens gaan lunchen, mam?”, stel ik haar voor en ze is enthousiast. Ik laad haar in en neem haar mee naar Vlissingen, waar ik mijn auto vlakbij een strandtent kan parkeren. Mijn moeder kan niet goed meer lopen, het gaat in uiterst traag tempo en ik scharrel geduldig achter haar aan. Ze is in de loop van de jaren zoveel gekrompen dat ze niet meer boven mijn schouders uitkomt. Nog even en ik moet haar in een autostoeltje vervoeren.

Bij de strandtent hebben we geluk met het laatste vrije tafeltje op het terras dat uitzicht verschaft over de skyline van Vlissingen. Dat de Boulevard vooral vergane glorie is, kun je van deze afstand niet zien. Er varen schepen kort langs de kust, er spelen kinderen met zand en emmers water. De zon schittert op het water. Mensen groeten elkaar, vitamine Zee doet absoluut iets goeds voor het humeur. We voelen de zon op onze snuit, genieten van een hapje en een drankje en ik voel haar blijdschap om er weer eens even tussenuit te zijn. Haar leven is zó klein geworden. Ze woont zelfstandig, alleen en is niet heel mobiel meer. Ze heeft geen auto, lopen gaat moeizaam en fietsen gaat ook niet meer per definitie zonder kleerscheuren. De Gemeente Middelburg doet er inmiddels ruim anderhalf jaar over om een taxipas aan mijn moeder toe te kennen. Zij zijn al véél meer kwijt aan het indiceren ervan, het beoordelen van de drie miljoen invulformulieren, het huisbezoek van de commissie die de intake doet en de overige ellendige ambtenarij dan wat ze kwijt zouden zijn geweest aan de pas zelf. Ik zal ze een dezer dagen maar weer eens bellen.

Aan de grote kringen onder haar ogen zie ik, dat mijn moeder niet op haar best is. “Ik ben echt achteruit gegaan in die coronatijd”, zegt ze, als ik haar vraag hoe het gaat. “Ik heb erg onder die eenzaamheid geleden. Alle dagen alleen zijn, alleen koken en eten, ik vind er niks aan”. Ik knik. Ik weet dat ze het niet fijn vindt om alleen te zijn, maar ik kan het niet voor haar oplossen. Alleen zijn is soms ook meer een gevoel dan werkelijkheid; het zou best eens kunnen zijn dat zij meer bezoek krijgt dan ik. Jezelf alleen voelen kan helaas ook wanneer je in gezelschap bent en eenzaamheid is een sterk onderschatte sluipmoordenaar.

De radars in mijn hoofd draaien op volle toeren. In onze maatschappij is weinig ruimte voor mensen die zich eenzaam voelen, omdat we allemaal gehaast zijn en we ook graag aan onszelf denken als er een moment van rust is. Mijn praktische voorstellen om maatjes te zoeken die eens een bordspel met haar komen doen, haar eens mee naar buiten nemen of die over nieuws en actualiteiten willen komen sparren, wijst ze stelselmatig en resoluut van de hand.

Als ik mijn moeder weer thuis heb gebracht, zetten we twee tuinstoelen in de zon op haar galerij. Het gebouw waar mijn moeder woont is in een U-vorm gebouwd. Her en der zitten mensen buiten en er loopt zorgpersoneel rond voor wie dat heeft ingekocht. Voor steunkousen krijg je vijf minuten, voor insuline prikken anderhalve minuut. In dat tempo hollen de medewerkers inderdaad in en uit de diverse woningen. Voor wat aandacht, een kort gesprek of wat menselijkheid is géén tijd meer beschikbaar in het efficiënte urenregistratiesysteem. Het lijkt me een korte termijn visie, maar daar kunnen die lieve verpleegsters niets aan doen. “Kijk”, zegt mijn moeder enthousiast: “daar loopt een oud burgemeester. Hij woont hier rechtsboven”. De keurige man valt op door zijn kostuum met stropdas. “Hele aardige man”, zegt m’n moeder. Ik zie kansen. “Zal ik verkering voor je vragen?”, stel ik haar voor. Ze maakt een grommend geluid. “Nee niks daarvan”, zegt ze. Ik zou het haar zo gunnen, iemand die wat reuring en gezelligheid brengt. Een luisterend oor.

Even later komt er een oude, somber kijkende vrouw achter een rollator langs. Het kwartje valt niet meteen, want ze draaft ons in een rotvaart voorbij. Ik heb nét tijd genoeg om mijn tenen op te rollen. “Goedemiddag”, zegt m’n moeder tegen haar: “je hebt er weer flink de pas in“. Drie huizen naast mijn moeder houdt de galerij op. De vrouw keert haar rekje om en zet de terugweg in. Ik zet mijn stoel wat naar achteren, trek mijn voeten in en moet lachen om wat hier gebeurt. Het complex heeft namelijk een prima tuin, een logischere plek voor wandelmarsen. “Oh, blijf maar zitten hoor”, zegt m’n moeder: “die komt nog wel een paar keer langs”. Ze hanteert een hoog tempo. “Ja, lopen kan ik nog wel. Beetje in beweging blijven hè?”, zegt ze als ze voor de derde keer rakelings langs mijn tenen scheert. Mijn moeder antwoordt: “jij zou wel een stappenteller kunnen gebruiken”, waarop ze zonder een spier te vertrekken antwoordt: “nou, ik kan het ok wèh zunder eej!”. Qua vriendelijkheid valt er wel wat op aan te merken, maar topsporters zijn nu eenmaal geconcentreerd tijdens hun prestaties, dus we leggen ons er maar bij neer.

Uhm, mam, hoe lang doet ze dit?”, vraag ik mijn moeder, nadat de buurvrouw zéker zes keer heen en weer is geweest. Mijn moeder kijkt op haar horloge. “Oh, niet zo lang meer”, antwoordt ze: “het is bijna half vier, dan gaat ze koffie zetten voor haar man”. We lachen. Het boeit me en het maakt me tegelijkertijd verdrietig. Misschien ziet het er voor mij aan de buitenkant erger uit dan dat zij het voelt en gedijt ze geweldig bij dit soort vastgeroeste gewoontes, maar voor mij is het een horrorscenario. Je zou de laatste jaren van je leven als een kip zonder kop over een doodlopende galerij racen totdat het tijd is om koffie te zetten, niet omdat je zin in koffie hebt, maar omdat het half vier is. Roer bij mij dan maar liever zo’n onlangs verboden poedertje door de koffie, zodat er rap een einde komt aan al dat lijden van mezelf en mijn omgeving.

Ik deel mijn gedachten met mijn moeder. “Nou zeg”, zegt ze enigszins beledigd: “je kunt toch niet zomaar uit het leven stappen?”. Ik haal mijn schouders op. “Waarom niet?”, vraag ik haar; “ik ben er toch ook zomaar ingerold?”. Ze gromt binnensmonds iets onverstaanbaars. “Echt hoor mam, op een gegeven moment is het toch gewoon klaar? Ik moet er niet aan denken om zoveel jaren af te brokkelen, van voren niet meer te weten dat je van achteren leeft en dan tóch te blijven bestaan. Voor wie? Waarom? Wat valt er nog te genieten voor jezelf én voor de mensen om je heen als de ouderdom je op deze manier aftakelt? Er is dan toch ook geen enkel toekomstperspectief meer?”. Er valt een stilte, waarin ik slechts een vernietigende blik toegeworpen krijg. Mijn moeder is gelovig en ziet dit soort dingen wezenlijk anders.

Stipt om half vier steekt Dafne sr. de sleutel wonderwel in het juiste sleutelgat en draait ze haar voordeur open. Het licht in de keuken gaat aan. Mijn moeder had gelijk. Het is de hoogste tijd voor koffie.

Alan Parson: old and wise

0 reacties

Geef een reactie

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *