Eén kies, twee keuzes

Begrijp ik je nu goed dat je wilt dat ik jullie ga stalken over die afspraak?”, vraag ik schamper aan de assistente van de poli. “Ja, het is de enige manier”, antwoordt ze kordaat. Ik zucht. Zij ook. Teleurgesteld verbreek ik de verbinding. Natuurlijk weet ik dat er overal wachtlijsten zijn, ik voer zelf dit soort gesprekken ook dagelijks. Ik word met regelmaat stijf gescholden, er wordt tegen me gevloekt en getierd, mensen beginnen te huilen, moeten hun frustratie kwijt en ik snap het allemaal, hoewel ik er niets aan kan veranderen. Nu overkomt het me zelf.

In de aanloop naar mijn sabbatical brak er een kroon af. De tandarts zou het fixen, ware het niet dat ik een klein dotje voelde in de buurt van die kies. “Je hebt een fistel”, zegt de tandarts: “ik stuur je door naar de kaakchirurg”. Auw. “Hoezo?”, vraag ik hem: “kun je dat niet gewoon even zelf?”. Hij lacht en schudt zijn hoofd. “De kaakchirurg moet het beoordelen. Hij snijdt het open óf hij trekt de kies. Er zit een hele grote wortel aan”. Ik zucht diep. Mijn gebit en ik hebben een onstuimig verleden sinds ik patiënt ben geweest van een malafide tandarts. Jarenlang lagen mijn kinderen en ik braaf minimaal twee maal per jaar in de controle-stoel, maar bij iemand die niet bekwaam bleek te zijn, na heel veel gegronde klachten failliet werd verklaard en uit zijn ambt werd ontzet, helaas pas nadát mijn gebit al naar de Filistijnen was geholpen. Ik heb de stoel van de kaakchirurg daardoor inmiddels vaker gezien dan me lief is.

Bij thuiskomst van de tandarts ga ik meteen aan de slag. Een eerste afspraak maken kan tegenwoordig digitaal, dus het is zo gepiept. Het antwoord volgt snel: eerste consult over drie maanden. Drie maanden. Shit! Het huilen staat me nader dan het lachen. Dat zet een lullige streep door mijn reisplannen. Ik besluit te gaan bellen en de assistente bitst me toe dat ik nog geluk heb. “We zitten inmiddels al ver in augustus met plannen”, zegt ze. Ik geloof haar, maar wat heb ik eraan? “Kun je me op een lijst zetten voor als je een uitvaller hebt?”, vraag ik haar: “ik werk heel dichtbij, ik kan er binnen een uur zijn”. Als wij op het werk patiënten zoeken die op dezelfde dag nog kunnen komen door een late annulering, dan vinden we die zelden. We moeten soms tien mensen bellen om er één te vinden die kan komen. De meeste mensen kunnen zich niet vrij maken op hele korte termijn. “Dat doen wij niet, onze poli’s vullen zichzelf meestal moeiteloos op”, antwoordt ze. Wat een ellende. “Bel ons gewoon om de paar dagen op. Als er toevallig een uitvaller is, kun je eerder terecht. Anders niet”. Ik bedank haar voor de moeite en zeg haar gedag.

Ik stop preventief een tandenborstel en tandpasta in mijn tas. Je weet tenslotte maar nooit. Beter mee verlegen dan om verlegen, zou m’n moeder zeggen. Iemand die stelselmatig gaat bellen om de wachtlijsten aan de kaak te stellen, vinden wij op het werk meestal niet leuk. Zo’n achternaam zoemt dan rond in de ruimte met collega’s die de vervelende, identieke mededeling dat er geen enkele mogelijkheid is eerder hebben gedaan. De kaakpoli vraagt me nu om zelf zo iemand te worden. Als ik niet op reis zou gaan, zou ik er niet over piekeren om dit te doen, maar nu heb ik een dilemma. Na het eerste consult moet de ingreep nog gepland worden, moet het genezen en moet de tandarts gaan opbouwen. Dan ben ik niet alleen een flink aantal weken verder, maar verdampt er wederom een deel van mijn spaargeld door dat eigen risico en de op onverklaarbare wijze nooit iets volledig dekkende polis bij de ziektekostenverzekering.

Het is niet best, die wachttijden in de zorg. En dan heb ik nog geluk, want ik heb geen pijn. Ik ken iemand die al maanden wacht op een consult bij de neurochirurg en die – volgestopt met medicatie- helemaal niet meer van de bank af kan; dat is vele malen erger. Mijn gedram voelt daardoor buitengewoon onredelijk.

Ik had er, met alle scenario’s die ik al wél bedacht had, geen rekening mee gehouden dat ik zéker de eerste vrije maand in afwachting zou zijn van een gebitsbehandeling. Het vergt aanpassingsvermogen en ik doe een Pilarczykje: loslaten van datgene wat niet te beïnvloeden is. Go with the flow. Er zit weinig anders op, het is wat het is. Onrustig word ik er wél van en enigszins gefrustreerd ook. De toestand in de zorg is absoluut zorgwekkend te noemen. Niemand weet inmiddels nog hoe je nieuwe mensen motiveert om voor deze sector te kiezen. Voor de zorg heb je eenzelfde drive nodig als voor alle andere sectoren. Intrinsieke motivatie, ondersteund door een goede opleiding en gewaardeerd met een salaris waarmee je gewoon in je levensonderhoud kunt voorzien. Vooralsnog ontbreekt het aan enkele van deze essentiële voorwaarden en loopt het personeelstekort alleen nog maar verder op.

Ik zal volgende week de poli meermalen bellen. Tegen de tijd dat ik dan daadwerkelijk de afspraak heb en mezelf aan de balie bij de dames in kwestie moet melden, zet ik wel een grote zonnebril op. Ik schaam me nu al.

Sorry meiden op de poli, jullie zijn heel aardig en behulpzaam en jullie kunnen er helaas niets aan veranderen, maar als patiënt vind ik het waardeloos dat dit de enige manier is om aan te geven dat het om uitzonderlijke reden écht te lang duurt. Met het advies dat jullie me nu geven, hebben jullie me straks tien keer aan de lijn gehad voor één en dezelfde vraag, hetgeen zéker niet efficiënt te noemen is als jullie het toch al zo druk hebben. Dat moet toch beter -en klantvriendelijker- kunnen?

Als toeval niet bestaat, zoals meerdere mensen in mijn omgeving mij dit trachten te laten geloven, dan brengt het me misschien iets onverwachts moois en helpt die kies me bij het maken van de juiste keuze. We gaan het zien.

Nu maar hopen dat het inderdaad altijd lente is in de ogen van de tandartsassistente en dat een grote bos bloemen met een gemeend dankjewel op termijn de boel weer rechttrekt.


Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin

0 reacties

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.